Non-rebreathing maskers worden normaal gebruikt voor een hogere FiO2 (idealiter tot 100% O2 als je de flow hoger hebt staan dan de patient nodig heeft en je een goede aansluiting van masker op het gezicht hebt (wat vaak te wensen overlaat omdat het disposables zijn)) en zal de effectieve hoeveelheid O2 die de patient inademt 60-80% zijn, afhankelijk van het maskerlek. Ze hebben eenrichtingskleppen, zodat alle lucht die je inademt (als er geen lek zou zijn) uit de muuraansluiting komt. Uitademing gaat via 2 eenrichtingskleppen naar buiten.
De venturimaskers werken anders; bij de aanvoer van de zuurstofstroom op het masker zit een venturiklep (vaak een verwisselbaar gekleurd plastic rond buisje met gaatjes die verschillend in grootte zijn). Er bestaan echter ook versies die geen verwisselbare venturiklep hebben maar een vaste klep. Het idee is dat je bij grotere gaatjes meer buitenlucht gaat aanzuigen dan bij kleinere gaatjes (dan krijg je vrijwel de lucht van je muur). Venturi masker worden iha gebruikt als je een lagere FiO2 wilt hebben (bijv van 0.30-0.60 (dus van 30% tot 60%)). En het aardige van dit systeem is dat als je patient een diepere of ondiepere teug maakt dat hij toch redelijk dezelfde zuurstoffractie binnen krijgt. Kies je een venturimasker van 15 l/min dan kun je hogere FIO2 krijgen (in de buurt van een rebreather masker). Zet je de flow lager (bijv 10 l/min) dan zal de patient als snel zelf 5 l/min via de venturi klep kamerlucht moeten meetrekken (met een FiO2 van 0,21, dus dan wordt zijn effectieve FiO2 (5*0.21+10*1.0)/15=0.74) in een lekvrije situatie.
In beide gevallen wordt droge lucht aangeboden uit de muur en bij een non rebreathing masker wordt geen kamerlucht meegezogen (tenzij het masker niet lekdicht op het gezicht zit). Dus eventuele aerosolen die zweven in de ruimte worden niet ingeademd. Bij een venturi masker zuig je wel lucht uit de ruimte mee aan.
De aerosolen die de Covid-patiënt zelf genereert verlaten in beide gevallen het masker met de totale flow waar het masker op ingesteld staat en waarmee je ademt. Bij een non rebreathing masker vaak via eenrichtingkleppen (die de allergrootste deeltjes iets zullen tegenhouden (interiele impactie)). BIj het venurimasker vaak via sleuven in het masker.
Met andere woorden: zet je beide maskers op 15 l/min(en je ademt als patient niet harder) dan zullen alle aerosolen die de patient uitademt met deze flow het masker verlaten en maakt het zeer weinig uit of het een venturi of een non-rebreather is.
PS: met een flow boven de 8-12 l/min die je door een vernevalaar leidt zul je actief aerosolen gaan genereren van de vloeistof die in de vernevelaar zit. Dit is heel iets anders.
(datum: 25-10-2020)